Intake

I

Op 30 april werd ik vroeg in de middag verwacht op de verpleegafdeling Oncologie. Route 503. In het Radboudumc heeft iedere afdeling of polikliniek een route-nummer. In de centrale hal hangt een bord met route 0-999 en dat splitst net zolang je, in mijn geval, op route 503 bent. In de ochtend hadden vrouwlief en ik de tas gepakt. Voor zeven dagen ondergoed, shirts, tandenborstel, scheerapparaat en meer. Verzoek was om geen pyjama’s mee te nemen. “Want dan lijkt het zo op een ziekenhuis.” Wat boeken, een iPod met wat muziek, mijn mobiele telefoon. Shirts had ik wat meer in de tas zitten. Want van chemo kon je ziek worden als in overgeven. Dus in plaats van 7 shirts, een stuk of 14. Ging het echt mis, mijn vrouw zou in het weekend op bezoek komen, dan kon ze nieuwe meebrengen. Door de week kwam ze niet op bezoek. Dat hadden we samen afgesproken. Dat was ook niet haalbaar voor haar en we konden bellen met elkaar. Let op: het is 2008 en de eerste smartphone moet nog worden uitgevonden.

Op de verpleegafdeling werd ik van harte welkom geheten, er werd wat bloed afgenomen en ik kwam op een tweepersoons kamer terecht. Daar lag een zieke oudere dame. Zij lag aan anti-biotica want ze had koorts gekregen tussen chemo-kuren in. En dat is gevaarlijk hoorde ik.
Nadat ik mijn spullen en kleding had opgeruimd kwam een verpleegkundige me halen voor een rondje over de afdeling. Informatie over waar ik wat kon vinden, de koffieautomaat als ik vond dat mijn caffeïnespiegel te laag werd en wat meer dingen. Gezellig.
De afdeling was gesplist in twee delen. “Het deel waar u ligt, zeg maar de gewone patiënten en hier is het gedeelte waar de terminaaltjes en de palliatiefjes liggen. Zorg ervoor dat u hier niet terecht komt.” Het was een doffe ellende bij “de paliatiefjes en de terminaaltjes.” Hier kon je De Dood voelen. Die stond klaar. Achter de deur. In de kast. Onder het bed. Je zag hem niet, maar hij was er wel. Godverdomme, dat wilde ik niet. Zo eindigen. ik dacht het niet. Ik vroeg meteen hoe hier over euthanasie werd gedacht. “Kan ik dat regelen?” vroeg ik. “Wat,” zei ze.
“Ik wil voor dit stadium al overleden zijn, Vrijwillig.” Dat kon, niet met haar maar met de oncologe. Top.

Hier kon je De Dood voelen…

“Kom,” zei. “Dan ga ik u nu vertellen wat we gaan doen de komende week. En wat er allemaal kan gaan gebeuren.”
We gingen een onderzoekskamertje binnen. Daar stond een bureau een paar stoelen en er was koffie. Belangrijk.
“Morgenochtend om 10:00 uur precies beginnen we. U krijgt tot half één in de middag een zotoplossing via het infuus. Intraveneus. Rond die tijd krijgt u preventief Dexamethason. Dat helpt bij misselijkheid die u kan krijgen van de chemo. Rond 13 uur krijgt u de eerste zak chemo en om een uur of 2 de tweede. Die loopt dan door tot een uur of 6 in de avond en daarna krijgt u weer zoutoplossing. Tot morgenmiddag en dan beginnen we weer opnieuw.
U gaat kaal worden, misselijk, duizelig, kaal…”
En heel veel andere dingen noemde ze. Je zou er bang van worden. Alleen kaal had ze vier keer gezegd. “Dat weet ik zeker,” zei ze. “Kaal.”
Een beetje vroeg in de avond werd het infuus aangelegd. “Dan hoeft dat morgenvroeg niet,” zei ze. “Dan kunt u morgenochtend gewoon douchen, want de komende week wordt dat lastiger. Want de infuuspaal moet mee. Die volgt u. De hele week. U mag ook aan de wandel, behalve tussen een uur of 1 tot een uur of 6 ‘s middags. Als u aan chemo “ligt” mag u niet van de afdeling af. Dat is de belangrijkste regel waar u zich aan moet houden. En als u de afdeling verlaat willen we dat graag weten.”
Ondertussen had ik ook gezorgd dat ik beeld had op de tv die boven mijn bed hing. Dat moest betaald worden. De rekening kwam later. Afmelden moest ik doen op de dag van ontslag. Niet vergeten.

Op donderdagochtend had ik heerlijk gedoucht, tanden gepoetst, geschoren en lag ik fris en fruitig op bed. Wachtend op wat komen ging.

Add comment