Rondje ziekenhuis

R

De uroloog kwam terug met wat formuliertjes waarmee ik het ziekenhuis doormoest. Ik moest langs afdeling Radiologie, Opname, Anasthesiologie en het lab voor bloedafname. “Ik zie u morgen,” zei hij. Ik gaf hem een hand en wenste hem een prettige dag. Vrouwlief deed hetzelfde en vroeg of ze met mee mee moest naar de diverse afdelingen. “Want anders ga ik terug naar kantoor,” zei ze. “Het is druk.”
“Je hoeft je niet mee, dit kan ik alleen,” zei ik. “Natuurlijk ga ik morgen ga ik wel met je mee als je straks belt hoe laat je wordt verwacht,” zei ze. Top.

Ik begon bij het loket “Opname.” Daar werd een beetje angstig gereageerd omdat er “accuut” op het papiertje stond. Mijn gegevens werden ingevoerd danwel aangevuld in het systeem en ze zei: “Morgenmiddag om 13.30 uur wordt u verwacht op afdeling 2A. Vanaf de hoofdingang volgt u de borden “Kortverblijfafdeling” naar de tweede verdieping en daar de borden “Dagopname.” En daar meldt u zich aan de balie. Succes.”

De volgende halte was Anasthesiologie. Ook daar moest wat geregeld worden en werd mijn bloeddruk en hartslag gemeten, mijn medicijngebruik genoteerd en werden er wat globale vragen gesteld over mijn gezondheid en of ik in het verleden problemen had gehad met narcose. En ik mocht even op de weegschaal. Geslaagd voor alle onderdelen. De verdoving ging via een ruggenprik en ik zou een licht roesje krijgen als ik dat wilde. “Of u blijft kennis.”
“Dat vind ik geen strak plan,” zei ik. “Doet u mij maar een roesje als dat in het pakket zit.”

Volgende stop, Radiologie. Daar was ik al eerder geweest vandaag en ik hoefde alleen maar de aanvraag voor een CT-scan af te geven. “U krijgt zo snel mogelijk per telefoon een afspraak. Misschien vandaag al.”

Mijn laatste formulier. Laboratorium. Bloedafname. Dat lag eigenlijk bovenop maar dat had ik gepromoveerd naar beneden. Ik was panisch voor naalden. Dat ik morgen geopereerd ging worden en dat ze dan hoogstwaarschijnlijk ook iets met naalden gingen doen als in verdoving en infuus interesseerde me geen ruk. Maar nu, bloedafname…ik scheet zeven kleuren stront. Bang. Factor 12. Hoe dat komt? Als zeven jarige werd ik na de zomervakantie in Italië ziek. Maar dan ook echt ziek. Dik 40 koorts en er was nog veel meer mis. Zo erg dat de huisarts mij in eigen auto naar het ziekenhuis bracht. Ik heb daar ruim twee weken geïsoleerd gelegen. Alleen verpleegkundigen en artsen mochten bij me. En die kwamen me iedere dag lek steken. Drie keer een lumbaalpunctie binnen een week, en bloed. Heel veel bloed. Als zeven jarig manneke ontwikkel je dan een trauma. En daar kun je helemaal niets aan doen. Maar het moest overwonnen worden. Dus met knikkende knieën nam ik plaats in de stoel.
Ik trof een vrij jonge verpleegkundige en zij zag dat ik bang was. Zij vroeg, kijkend op het formulier waarop nogal wat hokjes waren gekleurd: “Hoe lang weet u het al?”
“Eh…half uurtje,” zei ik. “Maar ik ben banger voor jou dan voor wat jij bedoelt.” En ik legde uit wat er vroeger gebeurd was.
“Het stelt helemaal niets voor,” zei ze. “Het doet zelfs geen zeer. Terwijl ze het prikformulier omhooghield zei ze: “Dit wordt vele malen erger dan dat prikje wat u zo krijgt van me.” Ik zei dat ik morgen al geopereerd zou worden en er komende week een CT scan gemaakt werd. De jonge verpleegkundige was erg meelevend en had intussen al 8 buisjes bloed vol. “Ziet u wel. U hoeft hier niet bang voor te zijn.” Deze lieve jongedame had me bijna van mijn jarenlang trauma afgeholpen. Waarom? Geen idee. Misschien omdat ze luisterde.
Ze wenste me heel veel sterkte en ik kreeg een mooie sticker mee naar huis.


Add comment

By Ton Jacobs