Chemo I

C

Om 10 uur die ochtend kwam er een verpleegkundige met een infuuspaal. Metertje of 2 hoog, vijf wieltjes aan de onderkant en een blauw/wit kastje met wat platte knoppen en een digitaal display op 1 meter 20. Boven aan de infuuspaal was een soort van kapstok. Daar konden de zakken met infuusvloeistof, chemo en meer worden aangehangen. Nu hing er één zak aan, doorzichtig met heldere vloeistof. Zoutoplossing. Omdat de infuusnaald al in mijn arm zat was het een kwestie van aansluiten en kleine draaiknop aan het infuus open zetten waardoor de infuusvloeistof op geregelde snelheid door kon lopen. Ze had nog een regel voor me, waar ik me aan moest houden. “Vanaf nu moet u in flessen urineren. Die staan in de douche. Verder moet u bijhouden wat u drinkt. Kopjes, bekertjes bewaren. Wij schrijven dat allemaal op en maken ook uw flessen in de douche leeg. Want, meneer Jacobs….”
“Zeg maar Ton,” zei ik. “Is prettiger. Niet meneer Jacobs, en geef dat ook door aan jouw collegaatjes.
“Want Ton,” ging ze verder, “Wat erin gaat moet er ook weer uit.” Helder.

Ondertussen was de buurvrouw gaan praten. Uiteraard had zij ook kanker en was nu in between chemokuren. Maar ze had hoge koorts gekregen en dat kon funest zijn. Daarom lag ze hier, net als ik, aan een infuus. Zij met spoelvloeistof en antibiotica, ik aan een infuus met spoelvloeistof en chemo. Ze was vroeger docente Engels geweest, eigenlijk net met pensioen en ziek geworden. Ze was getrouwd, kinderen, kleinkinderen. En zo keuvelden we een hele week samen over vanalles en niks. En als we niets wilden zeggen tegen elkaar was dat ook goed. Verder hielden we elkaar goed in de gaten.

Rond een uur of één in de middag kwam de eerste zak met chemo. Klein zakje, heldere vloeistof. Zat binnen 30 minuten in mijn lichaam. De tweede zak was groter. En die zat in rood plastic verpakt. “Dit gaat een uurtje of vier duren, Ton”, zei een andere verpleegkundige. Het had gewerkt. Ze zei niet meneer tegen me, maar Ton. Elke verpleegkundige die me voor de eerste keer zag stelde zich netjes voor en maakte een kort babbeltje of ze kwam op mijn bed zitten als ze merkte dat ik wilde praten.

Later die middag stonden er twee mannen in witte jassen aan mijn bed. Een wat oudere en een jongere. Ik dacht eerst dat het Jehova’s Getuigen waren, maar het waren psychiaters. Zij hadden gehoord wat er was gebeurd en dat ik lang psychische ondersteuning had gehad en op dit moment nog steeds “chemisch vrolijk” was. En toen mocht ik vertellen. Nou, en dat deed ik. Een dik half uur. “U praat heel makkelijk,” zei de oudere psychiater. “U weet heel goed te vertellen wat er nu aan de hand is en dat het helemaal fout kan aflopen. U bent hier zeer zeker niet depressief van aan het worden. Mag ik vragen bij wie u onder behandeling bent geweest?” Ik noemde de naam van de psychiater die mij “gered” had.
“Louis,” zeiden de beide psychiaters in koor. “Louis, ja die kennen wij wel. Die heeft u keurig op het rechte pad gekregen. En daar kunt u zelf ook keurig op blijven.”
“Ik zou nog een keer met hem gaan praten,” zei de jonge psychiater. “Afspraak maken via de huisarts na uw chemokuren. Dan hebben we het over juli. Dat kan geen kwaad en gezien uw verleden is dat heel verstandig. Misschien dat Louis u wat handvatten aan kan bieden in deze situatie.”
Ik dacht daar even over na en ging akkoord. “Dat lijkt me een uitstekend plan,” zei ik.

Mijn eerste chemokuur verliep verder probleemloos. Op de eerste dag leek ik vocht vast te houden, maar toen kwam Supergirl (tada) met een spuit heldere vloeistof die ze in de andere kant van mijn infuus spoot. Ik moest daarna een keer of vijf naar het toilet binnen een uur. De vochtbalans, waterhuishouding of whatever zich daarna en het werd vrij snel dinsdag.

Add comment

By Ton Jacobs