Chemo 4

C

Een dag of wat voor mijn derde chemo zou beginnen had een profiel aangemaakt op Hyves. Want…dat is gezellig. Hoorde ik. Verhaaltje neergezet over mijn diagnose en hoe ik dat had ervaren. Ik scheen daarmee aandacht te trekken want mijn inbox puilde uit van vriendschapsverzoeken. Van mensen die ik niet kende, maar waarvan zeker de helft ook kanker had of had gehad. Iedereen geaccepteerd. Samen vechten. Virtueel. Samen aan die teringchemo. Dat klinkt heel raar, maar het helpt. De tijd thuis vloog voorbij en het werd tijd voor mijn vierde, en hopelijk laatste chemokuur.

Ik was nog bijlange niet hersteld van mijn derde. Ik merkte duidelijk dat het lichamelijk niet zo heel erg goed meer ging. Conditie? Een regelrechte ramp. Een trap op en ik moest gaan zitten omdat ik bekaf was. Buiten adem en zwarte vlekken voor mijn ogen. Gevoel alsof mijn longen, of wat daar nog van over was, zo konden ontploffen en of mijn hart zo mijn borstkas uit zou kunnen denderen. Niet echt iets om vrolijk van te worden. Daar had ik na chemo 1 en 2 ook wel (wat) last van, maar dat duurde maar een dag of vijf, daarna merkte ik duidelijk vooruitgang. 
Nu was het ook wel wat beter sinds mijn “ontslag” maar het was nog -12 of zo. Erg moe, kon de hele dag slapen en een stukje lopen was erg inspannend. Maar ik wilde vooruit dus toch maar iedere dag lopen en je grens opzoeken. Voortbewegen was een beter woord. 


Ik was al mijn haren kwijt, ook mijn wilde. Had alleen nog een heel dun streepje wenkbrauw, net of ik ze zelf geëpileerd had. Ook had ik zo’n mooie ongezonde geel-grijsachtige kleur en een opgeblazen lichaam. 
Maar ik moest dus weer naar Nijmegen en wist wat er me te wachten stond. Intake-gesprekje, vragenlijstje(s) en een buisje of 5 bloed. 
En nadat ik alles had uitgepakt kwam er (alweer een nieuwe lieftallige) co-assistente.
Deze co wilde me heel graag helemaal onderzoeken en ook zij vroeg of ik een rolstoel nodig had en of ik het hele stuk zelf kon lopen. Metertje of 20…moet geen probleem zijn. Ik mee naar de onderzoekskamer en er werd geklopt en gekneed, met een lampje in oren, in ogen en keel gekeken. Moest van die neurologische testjes doen. Zo van met je ogen dicht op één been gaan staan en dan met je linkervinger het topje van je neus aanraken. En ik kon dat ook met mijn rechterwijsvinger!! Applaus voor mezelf. Alle reflexen nagekeken, ook erg prettig, vooral die van met een hamertje over de onderkant van je voet een streepje trekken. Kreeg je spontaan even kramp van in je kuitspieren. 
En ook deze keer werd ik goedgekeurd om aan een nieuwe chemo-kuur te mogen beginnen…morgen. 

Op donderdagmorgen kwam de “grote wagen” weer binnenrijden. Werd vanalles klaargelegd. Stuwbandje rechts, kloppen, naald erin en…mis. En zo ging het nog een keer of twee. Was ondertussen goed blauw en moest preventief mijn trouwring, Livestrong-bandje en horloge afdoen, want het zou wel eens op kunnen gaan zwellen. En dan moest er een en ander door geknipt worden en dat vond ik minder. Dus alles maar op mijn (nacht)kastje. 
Er brak lichte paniek uit Het was bijna half elf was en het tijdschema kwam in gevaar.Er werd aan mij gevraagd of er een andere verpleegkundige nog een poging mocht ondernemen, anders moest er iemand van anesthesie komen of moest ik daarheen. 
-“Tuurlijk, probeer nog maar een keer. Ben toch al helemaal lek geprikt. Begin langzamerhand op een junk te lijken met mijn spuitgaten en blauwe plekken.” 
“Vindt u het dan niet vervelend of pijnlijk of…” 
-“Ja, natuurlijk vind ik dat, maar om hier over te gaan liggen “kankeren” (what’s in a word…) maakt het voor mij niet makkelijker en voor jullie al helemaal niet. Bovendien, het is niet anders, ik blijf er maar mee lachen.” 
“Ik zou willen dat alle patiënten zou reageerden,” zei ze. Dit werd gewaardeerd. Natuurlijk kan ik gaan klagen en zeuren. Heb ik niet gedaan, ik heb humor gebruikt om mijn uitgezaaide zaadbalkanker te kunnen accepteren. Dat lost mijn probleem niet op, maar depressief gaan lopen doen al helemaal niet. Natuurlijk had en heb ik slechte dagen, maar positief blijven maakt me meer toegankelijker voor andere mensen, die durfden gewoon naar me toe te komen om te vragen hoe en wat. Maar…er waren (en zijn) ook zogenaamde vrienden die omdraaiden of vlug te weg over staken als ze me zagen aankomen. Alsof ik Ebola of iets anders zeer besmettelijks onder de leden had. Scheen er ook bij te horen. Heel veel mensen schijnen zich geen houding te kunnen geven als er iemand ziek is of zo… 

Wonderwel was poging vier een succes en zat de naald netjes gestabiliseerd aan de binnenkant van mijn linker onderarm. Slangetje met een kraantje eraan en dat werd vastgemaakt aan de infuuspaal. 
Ik merkte dat het echt steeds slechter ging. Ik had moeite om ’s middags wakker te blijven en doezelde dan ook regelmatig weg. Op de derde dag van de chemo zat ik helemaal stuk. Ik was moe, gammel, lusteloos, apathisch, energieloos, futloos, hangerig, indolent, lamlendig, mat, melig, neerslachtig, ongeanimeerd, onverschillig, passief, slap, verdrietig, depressief en…ik kon niet meer eten. Ik had wel even gehad hier in dat kankerziekenhuis met zijn klotechemo voor die kutkanker. Zo, dat hielp. Even wat frustratie en agressie eruit. 
Want gefrustreerd, agressief, boos, gekwetst, gepikeerd, geraakt, kwaad, verbolgen, verontwaardigd, teleurgesteld, ontgoocheld dat was ik. Godverdegloeiendetyfusgodver.

Godverdegloeiendetyfusgodver.



Omdat ik echt misselijk en meer aan het worden was kreeg ik extra anti-emetica toegediend via mijn infuus. Keer of 3 per dag een injectie Zofran, die helaas voor mij niet hielp. Als de ““koffiewagen” binnen kwam kreeg ik al spontane braakneigingen, dus de wagen binnen en ik van de kamer af. Nog erger als ’s middags het warm eten kwam. Dan ging ik beneden in de hal zitten, aapjes kijken. Ikzelf had veel meer bekijks, met mijn infuuspaal die vol met lege en volle zakken hing, mijn kaal hoofd en mijn grauw uiterlijk. Er werd dan ook veelvuldig meelevend naar me geknikt… 
Bij het avondeten zeiden de koffiedames, zo zal ik ze maar oneerbiedig noemen, dat ze ook verse bouillon hadden. Of ik dat misschien wilde (proberen). En daar had ik wel zin in, want alleen water is ook niet alles. Ik kreeg een beker verse bouillon, waar ik twee uur over heb gedaan voordat het op was. En het was echt lekker. Tenminste iets anders dan dat water. Daarna heb er een uur of acht plezier van gehad… Maagzuur, opboeren, gevoel of het er uit kwam, en dat lukte niet, ook niet met twee vingers. Gevolg: geen oog geslapen…dus hoefde ik voorlopig geen bouillon meer. 
Op maandag nog meer Zofran, Dexamethason, Primperan en één glaasje water over de hele dag. Ik lag gelukkig aan een infuus, daardoor kreeg ik toch voldoende vocht binnen zodat uitdroging niet tot de mogelijkheden behoorde. Wel vond het verpleegkundig personeel het erg en zielig en zo voor me. Stonden echt meelijkwekkend naar me te kijken omdat ze niets voor me konden doen. 
Hallo…dit is de laatste dag van mijn waarschijnlijk laatste kuur en nu ben ik pas “ziek”, dit had ook op 1 mei, dag 1, kuur 1 kunnen gebeuren. Dus mij hoor je niet klagen. Ik ga lekker liggen, raampje open, muziekje aan, ik vermaak me wel… 

Ik werd, als ik lag te slapen overdag, wakker gemaakt door de verpleegkundigen door een keer hard tegen mijn bed aan te stoten. Als ik dan bewoog, of een geluidje maakte was het goed. Ook ’s nachts kwam er vaker een verpleegkundige kijken of ik het nog deed.
Het werd gelukkig vanzelf dinsdagochtend en rond een uur of 10 mocht ik weer los. Voorzichtig vreugdedansje. 
De club doctoren kwam binnen en na een kort over en weer gesprekje kreeg ik een afspraak voor een tussentijdse controle en een afspraak voor een CT-scan op 31 juli. 
Die zou moeten gaan uitwijzen of en hoe en waar de chemo zijn werk had gedaan… En weer werd me op het hart gedrukt dat als deze chemo niet zou aanslaan, maatschap Oncologie een probleem had en niet ik. 

“Komt wel goed, schatje…” 

Add comment

By Ton Jacobs