Chemo 2

C

Op 20 mei 2008 werd ik weer terug verwacht in het Radboudumc. Na wat lichamelijk onderzoek en een buisje of 6 bloed mocht ik wat formuliertjes invullen. Met daarop vragen als “Wat verwacht u van deze opname en behandeling?” Moeilijk.
Deze keer kwam ik op een vier-persoons kamer terecht. En het zou hier best wel eens gezellig kunnen worden. Dat bleek na een uur of wat flink tegen te vallen. Humor was hier niet gewenst. Nou. Dan niet.

Ik had net mijn tas uitgepakt toen er een co-assistente verscheen die mij wilde onderzoeken, of ik bezwaar had. Natuurlijk niet.
Ze nam me mee naar een onderzoekskamer en wilde precies weten hoe en wat, wanneer en waarom. Op die waarom vraag had ik geen antwoord. Van de rest kon ik een mooi verhaal maken en ik begon te vertellen dat ik in 1965 was geboren, een teringjeugd heb gehad en meer.
De bloedwaarden waren goed en ik kreeg groen licht om morgenvroeg aan mijn tweede kuur te beginnen.
Ook deze arts vond mijn neurofibromatose erg interessant. “We leren dit wel op de universiteit ze, maar we zien eigenlijk nooit een echt levend voorbeeld. En hier bent u!”
Of er ook een neurolo(o)g(e) bij mocht komen om mijn “fibroompjes” te bekijken en te voelen. Natuurlijk.
 
Na de eerste nacht goed te zijn door gekomen was het inmiddels donderdagochtend en werd ik rond tien uur weer aangekoppeld aan mijn “vriend.” Die op die paal… 
Uiteraard eerst even lekker gedoucht, mijn “haar” gewassen en weer lekker glad geschoren. Met een handdoek even over mijn gezicht wrijven en ik was voor de komende week weer klaar.
Om 10 uur kwam de verpleegkundige met een grote kar de kamer op om mijn infuus te zetten. Naalden, pleisters, verband, spuiten, flesjes met alcohol, blauw en roze achtig spul. Het werd allemaal op mijn bed gelegd. Dit keer werd er voor een iets ander infuusnaald gekozen als bij mijn eerste chemo omdat het aanprikken misschien wel moeilijker zou zijn. Chemo maakt meer kapot dan je lief is.
De infuusnaald was (wat) langer en (iets) dikker dan bij mijn eerste chemo. Deze moest helemaal mijn ader in en moest 7 dagen blijven zitten. Na mijn rechterarm te hebben afgebonden boven de elleboog met een stuwbandje, een hele mooie groene, ingesmeerd met roze spul (koud) en wat geklop overal kwamen de ader(tje)s omhoog.
Verband werd klaargelegd, het infuus werd van zijn (haar?) steriele verpakking ontdaan, ik moest mijn arm rechthouden en een stevige vuist maken en het infuus gleed naar binnen. Dit had ze vast en zeker veel vaker gedaan. Er werd wat zout water naar binnen gespoten om te kijken of de ader dik werd. Als dat zou gebeuren dan zat het infuus verkeerd en moest het opnieuw. Maar ik had nog steeds geluk… nog wel.

Ik was zo blij dat die lieve, lieve verpleegkundige in Helmond mij van mijn trauma had af kunnen helpen. Anders was dit rampzalig geworden. En ik was er nog lang niet. Ik zou nog heel veel naalden tegenkomen op mijn pad.
De naald werd gestabiliseerd met een giga-pleister, slangetje met een kraantje erop en het hele geval werd met een rol verband verbonden. Daarna werd ik aangekoppeld aan het zout water en begon om een uur of één ‘s middags chemokuur 2.

Tijdens mijn eerste kuur was het me niet opgevallen, maar de verpleegkundigen namen extra voorzorg als zij mijn bed moesten verschonen. Dan deden ze handschoentjes aan. Blauwe. En ze trokken een plastic schortje aan. Witte.
“Buiten” op de gang hing naast de deur een vierkant tegeltje. Met vier bedden erop getekend en het bednummer. Ik lag op bed 2, en daarop was een gele driehoekige sticker geplakt. Ik kreeg dus speciale behandeling. Mijn gebruikte handdoeken mochten ook niet bij het gewone wasgoed, maar gingen in een aparte zak, waar “besmet wasgoed” op stond.

De dagen kropen voorbij. Eigenlijk iedere dag hetzelfde. Kan niet zeggen dat ik ziek werd van de chemo, wel werd ik merkbaar vermoeid. Er gebeurden ook niet echt schokkende dingen. Niet met mij en niet met mijn mede-patiënten. 
Het werd toch vanzelf dinsdag en mocht ik rond 10 uur van het infuus af. Had mijn tas al ingepakt toen de grote club “-logen” weer op de kamer verscheen. Wilden weten hoe het deze keer gegaan was en of ik klachten had en zo. Had eigenlijk geen klachten, maar wel een prangende vraag. Wat zou er gebeuren als deze chemo-kuren niet zouden aanslaan. Daar werd op geantwoord met: “Dan hebben wij als maatschap Oncologie een probleem.” 
Daar was ik het niet zo mee eens. “Ik denk dat ik dan een probleem heb, en niet jullie.”  
Zo moest ik niet denken, als deze chemo niet zou helpen moest er naar een andere oplossing gezocht worden. En er waren nog andere oplossingen.

Gerustgesteld.

Not.

Add comment

By Ton Jacobs